Terwijl ik mezelf van mijn stoel ophijs na een lange carnavalsoptocht loop ik ietwat vermoeid naar mijn lokaal. Ik trek de serpentines van het raam en schuif wat met tafels en stoelen. Weg met alles wat mij ook maar enigszins aan carnaval doet denken en dat terwijl het nog moet beginnen. Ik ben geen carnavals-hater, die zijn er al genoeg. Nee.. ik denk vooruit. Want straks trek ik de deur van mijn lokaal dicht en ben ik van plan er een week niet meer te komen. Als we maandagochtend na de vakantie weer terugkomen zouden we al een halve week aan het vasten zijn. Laat ik mijn klas dus nog maar even opruimen, voordat ik naar huis ga.
Terwijl ik met stoelen schuif en wat boeken rechtzet, overdenk ik de komende week. Zondag is het wederom optocht. Ditmaal in mijn woonplaats. De afgelopen jaren besteedt ik die optocht samen met mijn schoonfamilie. Mensen komen van ver boven de rivier om dit te zien. Schoonfamilie. Nu kan ik goed overweg met die mensen en het wordt vast en zeker een gezellig Brabants dagje carnaval. Geanimeerde gesprekken over tal van onbenulligheden die ons sinds onze laatste ontmoeting bezighouden. Maar hoe gezellig het ook worden zal, één onderwerp wordt steevast aangesneden. Meestal komt na een stilte die iets te lang duurde de vraag: “En jij… jij hebt zeker weer vakantie?”
Een collega loopt door de gang en zwaait naar me. Ik hoor nog iets van ‘Prettige vakantie’. Ik groet haar en maak een stapeltje van allerlei papieren die op mijn bureau liggen. Een stapeltje toetsen die nog ingevoerd moeten worden. Maar na zo’n optocht heb ik daar geen zin meer in. Ik rommel nog even verder in de kast.
“En jij… jij hebt zeker weer vakantie?“ Ik weet nu al wat me zondag te wachten staat. Het is niet echt een vraag, want ze weten het antwoord dondersgoed. Nee, is iets heel anders. Het is eerder een erkenning dat ze nu écht niets meer weten om over te praten en beginnen ze maar over mijn vele vakanties. Alsof ze beginnen over het weer. Het zou ook een soort verwijt kunnen zijn. Dat ik wéér vakantie heb. Ik weet niet wat voor hen de reden van de vraag is, maar ik pik het over het algemeen fout op.
Het basisonderwijs en de mensen die daar bij horen doen het over het algemeen niet geweldig. Het rekenen moet veel beter en ook het taalonderwijs. Nog maar te zwijgen over het schrijven. Want ook dat was afgelopen jaar ‘nieuws’. Je begint je af te vragen wat nog wel goed gaat. En je mag blij zijn dat zulke berichten nog steeds als ‘nieuws’ bestempeld wordt. Het zou erger zijn als we horen dat aardrijkskunde beneden de maat is en dat we collectief zeggen: “Tsja, maar dat is toch geen nieuws”
Al die berichten vallen telkens weer onder één noemer te schuiven. De media vraagt zich af wat de ‘kwaliteit’ van het onderwijs is. En mijn schoonfamilie vraagt zich eenvoudig af of ik weer vakantie heb. Maar die twee dingen samen klinken in mijn oren als één simpele vraag waar alles om draait: “Doe jij het wel goed?” En dat is waar de hele discussie om kwaliteit toch eigenlijk altijd om draait. Is dit goed?
Dat de kwaliteit van het onderwijs onder vuur ligt is alom bekend. Als het goed is ligt de kwaliteit van uw werk en zelfs uw leven ook elke dag opnieuw onder een bekende druk geformuleerd met de eenvoudige vraag: “Doet u het goed?”
Alleen telt de vraag als het gaat om onderwijs zwaarder. Op feestjes word zelden gesproken over de kwaliteit van het tupperware tegenwoordig. Of de kwaliteit van de Nederlandse snelwegen. Komt dit omdat mensen in het onderwijs met de nieuwe generatie werken? Omdat kwaliteit van het werk zwaarder telt omdat we met kinderen te maken hebben?
Of is het gewoonweg makkelijker praten over onderwijs, omdat we allemaal er wel iets van weten. Je kunt gerust stellen dat de meerderheid van de Nederlanders op zijn minst zijn basisonderwijs gehad heeft. Eenieder kan er over meepraten en eenieder heeft er makkelijk en snel een mening over. Is dat de reden dat ‘Goed Onderwijs’ een hot-topic blijft?
Ik loop door mijn lokaal en controleer of alle ramen gesloten zijn. Staan de pc’s uit? Ik pak mijn tas in en sluit de deur van mijn lokaal. Ik maak nog even een rondje door de school en tref nog één collega. Samen sluiten we de boel en nemen we afscheid van elkaar. Tot over een week. Ik stap in mijn auto en rij het dorp uit.
De vraag ‘doen we het goed?’ valt in duizend en één stukjes te breken als het gaat over onderwijs. Het onderwijs zelf valt trouwens ook in minstens net zoveel stukjes te breken. Ikzelf beperkt mij het liefst tot mijn eigen toko en dat is het basisonderwijs. Dat is tevens de grote gemene deler.. Want nogmaals, de meesten onder ons hebben daar wel ervaringen mee. Iedereen weet wel iets. En iedereen heeft een duidelijke notie van wat goed is en wat niet. In wezen weet iedereen van zichzelf wel of je handelingen goed zijn of niet. Een leerkracht zou zelf moeten weten of zijn onderwijs goed is of niet.
Als een kind plots ontdekt dat hij die lastige som op kan lossen. Dat ze glundert en het nog eens wil doen. Dat is goed onderwijs. Dat is kwaliteit. Dat een kind zijn zenuwen overwint om voor het eerst op het podium te gaan staan om een dansje te doen voor de rest van de school is knap. Dat is goed gedaan. Dat is kwaliteit. Dat een kind na acht jaar onderwijs een lastige eindtoets kan maken en goed scoort. Dat is kwaliteit. Leerkrachten en ouders zijn trots als zoiets gebeurt. Mensen herkennen kwaliteit. Dat is een aangeboren eigenschap van ons allemaal. Iedereen heeft smaak. Iedereen weet wat goed is.
Ik sta stil voor een stoplicht. Ik neem vlug een stukje papier uit mijn tas en schrijf erop: “Iedereen weet wat goed is. Dit hoeft niemand ons te vertellen.” Ik kijk naar de zin en frons. Dat is raar. Ik voel heel duidelijk dat ik zeker weet dat het zo is, maar toch gaan er alarmbellen rinkelen omdat het niet lijkt te kloppen. Weet ik nu wel of niet wat goed is? En als ik het niet weet? Wie of wat weet het dan wel? De onderwijsinspectie? De ouders? Psychologen? Neurologen? Onderwijsdeskundigen? Heeft iedereen een beetje gelijk? Voel ik me trots op mijn goedscorende leerlingen omdat de onderwijsinspectie zegt dat ik me zo moet voelen?
Het stoplicht springt op groen en ik vervolg mijn rit naar huis. Ik zit ietwat verbaasd in de auto. Dit is een dilemma. En ik vrees dat ik tijdens dit ritje naar huis er niet uit ga komen. Het lijkt op een vraag die ik ooit aan mijn moeder stelde toen ik nog erg jong was. Er stond een vaas met bloemen op tafel. Mijn moeder zei me dat het mooie bloemen waren. Ik wist echter niet wat ze bedoelde met ‘mooie bloemen’. Waarom waren de bloemen mooi? Omdat ze geel waren? Mijn moeder wist het ook niet. Ze vond ze gewoon mooi.
Nu jaren later snap ik dat mijn moeder mij nooit een uitleg had kunnen geven. Ze had me slechts een dilemma kunnen geven. Zat de schoonheid van de bloemen in de bloemen of in mijn moeder die de bloemen mooi vond. Zit de kwaliteit in het object of het subject? Zit de kwaliteit van het onderwijs nu in citoscores en niet in het gevoel van trots. Of zit de kwaliteit van onderwijs slechts in het plezier van kinderen wat ze hebben na het verkrijgen van goede rapporten. Zijn die rapporten daardoor op hun beurt slechts meningen in getallen. En daardoor nauwelijks objectief te noemen?
Heel het onderwijs is doordrongen van dit dilemma. Dat wat we kunnen meten noemen we objectief en krijgt daardoor al snel de status écht te zijn. En hoe hoger de scores van het meetbare hoe beter de kwaliteit van het onderwijs. Hetgeen wat niet meetbaar is telt niet mee in de bepaling van kwaliteit. Gedrag is zo’n onmeetbaar patroon binnen het onderwijs. Telt het nu wel of niet mee dat een basisschool sociale kinderen aflevert? We vinden dat wel belangrijk. De meeste oudergesprekken gaan over het gedrag van kinderen. Hoe goed een school dit aanpakt is niet te vangen in kengetallen. Er worden althans geen grote pogingen ondernomen om dit jaarlijks in kaart te brengen. Het blijft slechts de mening van anderen.
De schrijver Pirsig biedt een oplossing voor het kwaliteitsdilemma. In zijn boek “Zen en de kunst van het motoronderhoud stelt hij dezelfde vraag: ”Zit de kwaliteit nu in het subject of in het object?” De vraag impliceert dat je moet kiezen tussen de twee. Of kwaliteit zit in het object. Als dat zou zijn zou iedereen de bloemen van mijn moeder mooi vinden. Het zijn immers mooie bloemen. Zit de kwaliteit niet in het object, dan zit het in het subject. Niet iedereen zou mijn moeders bloemen mooi vinden. Het mooi vinden van de bloemen zou volstrekt willekeurig zijn. Als dat zo zou zijn, dan zouden de lijstjes van de Top 40 nergens op slaan. Brad Pitt en Angelina Joline zouden door net zoveel mensen knap als wel lelijk gevonden worden. Toch hoor ik van elke juf op school dat Brad Pitt toch écht wel een ‘snoepje’ is. (en ik niet, maar dat is een ander verhaal)
We willen graag dat dingen objecten zijn. Dat we ze kunnen meten. Daarom geef ik de kinderen ook een toets na elk hoofdstuk. Die kijk ik na en het geeft me een cijfer of een letter die ik kan afzetten tegen andere cijfers en letters. Hoe maakte mijn groep van vorig jaar deze toets? Hoe maakte dit kind deze toets ten opzichte van de vorige? Ik vind het prettig om een citotoets als backup te hebben om gewoonweg zo min mogelijk subjectief te zijn. Dat de kwaliteit van mijn onderwijs niet slechts afhankelijk is van een mening, mijn subjectieve kijk op de dingen.
Pirsig pakt de drie termen bij de kladden en rammelt ze door elkaar. Kwaliteit komt niet voort uit de bloemen. Het is ook niet slechts de mening van mijn moeder. Pirsig draait het om. Hij stelt dat er kwaliteit is. En uit die kwaliteit komt het subject en het object voort. Zodra iets in onze perceptie bestaat heeft het kwaliteit. En die kwaliteit zorgt dat het subject bij het object komt. Ook lelijke bloemen hebben kwaliteit. De kwaliteit zorgt ervoor dat het subject het object kan waarnemen. De vraag of de vaas met bloemen kwaliteit heeft slaat daardoor nergens meer op. Natuurlijk heeft de vaas met bloemen kwaliteit. Je ziet ‘m toch!
Het grote gewin hieruit is echter nog steeds niet dat je met gemak kunt vaststellen wat nu wel kwaliteit heeft en wat niet. De briljante denkstap die Pirsig maakt is, dat hij eens en voor altijd afrekent met de termen subjectief en objectief. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Objectief werd vaak ten onrechte als ‘meer echt’ waargenomen als ‘subjectief’ omdat die laatste slechts een mening was. En slechts een mening zijn is alles behalve waarheidsgetrouw. Pirsig rekent af met het woordje ‘slechts’ en stelt dat het juist de mens is die in staat is kwaliteit te herkennen. Bloemen mooi vinden is wellicht onderhevig aan smaak, maar is wel degelijk een waarneming van kwaliteit. Het resultaat van een vaardigheid die met geen enkele machine of toets is om te zetten in een objectief meetbare eenheid.
Ik rij de snelweg op en ik ben blij dat het ondanks het begin van een vakantie niet ontzettend druk is op de weg. Vrij rustig juist. Ik rij inmiddels ietwat meer op mijn gemak naar huis. De wereld zit een stuk eenvoudiger in elkaar als je beseft dat je mening of gevoel van trots net zo écht is als alle objectieve gegevens bij elkaar. Mezelf goed voelen over mijn manier van onderwijs geven telt net zo zwaar als de citogegevens. Zodra ik, de kinderen en de ouders zich goed voelen over onze school, dan doen de citogegevens er op zich niet zo heel erg toe? Ik kijk nog een keer naar het papiertje dat naast me ligt: “Iedereen weet wat goed is. Dit hoeft niemand ons te vertellen.” Toch zijn we er nog niet. Iets klopt niet.
Ik kom thuis en doe thuiskomdingen. Maar vandaag gaan de dingen ietwat anders. Ditmaal schuif ik mezelf in een carnavalspak. Ik sms wat rond en als snel vertrek ik samen met anderen naar het ‘Juffen en Meestersbal’ waarmee de carnaval voor ons leerkrachten begint. Ik praat met een hoop bekenden. Enkele van hen ken ik van de Pabo en weer anderen hebben op het ‘Juffen en Meestersbal’ niets te zoeken, omdat ze juf noch meester zijn. Ze zijn er toch, omdat ze weten dat inmiddels tachtig procent van het basisonderwijs uit juffen bestaat. En dat klinkt toch als een soort ladies night.
Ik drink wat biertjes en nog een paar. En plots ontdek ik dat ik tegen een lelijke bijna slapende vrouw sta te vertellen wat de kwaliteit van onderwijs is. Het valt me zwaar omdat mijn tong niet helemaal meer zegt wat ik zeggen wil. Maar het maakt niet uit. Ik voel me prettig. Nee, prettig is een understatement. Ik voel me Super. En dat die lelijke bijna slapende vrouw mijn verhaal niet interessant vind maakt voor mij niets uit. Ik voel me immers goed.
Terwijl de vrouw inmiddels ongemerkt is weggegaan en ik mijn verhaal vervolg tegen een andere vrouw vertel ik haar dat je weet wanneer je goed onderwijs geeft, omdat je dat kunt voelen. Je voelt je prettig, je voelt je super. Ik ontdek dat het toch dezelfde vrouw is tegen wie ik praat, maar dat ze haar carnavalshoedje heeft afgezet. ‘Ik voel me super’, zeg ik haar. Plots buigt ze haar lelijke gezicht naar me toe en ze vraagt: “..Dus je voelt je goed.” Ik knik met zowat heel mijn lijf en zeg “Ja” waarop zij vraagt: “Dus je zou nu goed onderwijs kunnen geven?”
Ik zeg niets meer. Ik strompel naar huis en ben oprecht aangeslagen door haar opmerking. Zo goed als ik me net voelde, zo beroerd voel ik me nu. Wat weet zo’n mens er nou van? Denk ik nog. Ik was nu toch geen onderwijs aan het geven. Ik was aan het drinken. Maar ergens weet ik dat ze gelijk heeft. Ik kom thuis en gooi mezelf op bed. Toch heb ik gelijk. Maar zij ook. Dit verdient nog wel wat meer denkwerk. Want een theorie die het goed vind dat leerkrachten dronken voor de klas kunnen staan is gewoonweg immoreel. Terwijl ik zelf zeg dat wat wij goed vinden net zo echt is als objectieve gegevens. Heb ik mijn eigen graf gegraven. Ik lig op bed en staar naar het plafond. Ik ben sinds ik vanmiddag in de auto stapte geen steek verder gekomen. Of toch wel… Ineens besef ik dat.. Ja! Dat is het. Ik val in een diepe slaap en elk goed idee wat nog in mijn hoofd zat is weg….
Edublogdinner en Dé Onderwijsdagen 2009
3 uur geleden



5 reacties:
Je had d'r moeten zoenen, de lelijke vrouw. In de eerste plaats omdat het carnaval is, in de tweede omdat ze in sprookjes staat voor de magie en wijsheid.
Ik heb genoten van je sprookje met een waarheid als een koe: Goed onderwijs hangt, net als een goed gesprek, af van verteller en luisteraar.
Niet van de macht van laten snappen, niet van de hoge citoscores. Niet van de dingen die de leerkracht weet en kan.
Verteller en luisteraar.
Om beurten.
(^_^)
Hoezo jij niet net zo'n snoepje als Bratt Pitt? Normaliter zeur ik over lange teksten en beeldscherm lezen, maar nu vergat ik dat. Mooi stuk Kobus, dank je wel!
Kobus, via Twitter kwam ik op je blog. Wat een goed verhaal! Ik roep al jaren dat goed onderwijs het onderwijs is dat leerlingen weet te motiveren om zelf te leren. Als jij leerlingen kan helpen glunderen omdat ze in je klas iets hebben ontdekt, dan glunder ik als ik dat lees!
Bedankt voor je verhaal. Ik hoop het nog eens als voorbeeld te gebruiken als ik een verhaal over onderwijsvernieuwing/goed onderwijs/de leerling van nu houd. En dan gaat het nooit over cijfers en inspectie....
Groet,
Marieke van Osch
Wat een fijne reacties van jullie. Het motiveert in ieder geval om deze zoektocht naar kwaliteit in het onderwijs vervolgen. Ik hoop snel met een nieuwe post te komen. Ik hoop ook dan enkele reacties van jullie te ontvangen. Dat houdt me scherp en gemotiveerd.
mooi verhaal! je hebt me weet te raken me je verhaal, in 1x helemaal uitgelezen en dat is knap want ik ben een echte zapper
kwaliteit onderwijs gaat gewoon omhoog met meer "Kobussen" voor de klas!
bedankt!
Een reactie plaatsen