vrijdag 27 februari 2009

Wederom Kwaliteit (deel 3)

Het regent buiten. Wat een snertweer. Na de prachtige witte daken van de winter is dit druilerige weer werkelijk mistroostend. Een dag waarop je eigenlijk liever niet naar buiten gaat. Zeker niet een dag die je wil hebben tijdens je Carnavalsvakantie. Er zit niets anders op dan de PC aanzetten en je moedeloosheid delen met anderen.

Gelukkig is daar Twitter. Ik schrijf een kort berichtje over mijn huidige gemoedstoestand en niet lang daarna komen medestanders met hun reacties. Gelukkig maar dat er anderen zijn die ook zo over de dingen denken als ik. Ik voel me een stuk beter. Iemand reageert dat ze in een bushokje staat en straks blij is als ze thuis met haar slofjes op de bank kan zitten. Weer een ander kijkt op tegen het uitlaten van de hond. Wie wil er nou in dit snertweer buiten zijn?

Ik woon langs een oude kerk en terwijl ik dit zo intik zie ik hoe dit gebouw er bijna wenend bij staat. Als het ’s avonds vroeg donker is dan schijnt er soms wat licht door de ramen naar buiten. Het glas in lood brengt de meest fantastische vormen en kleuren voort. Is het daarbij ook nog ietwat mistig dan lijkt deze kerk zo uit droomvlucht geplukt te zijn om voor mij te schijnen. Als dan ook nog het kerkkoor aan het zingen is, dan kan ik helemaal mijn ogen niet van die kerk afhouden. Als ware het een mooie vrouw.

Toen ik hier net woonde had ik speciaal mijn PC bij het raam gezet, zodat ik lekker vaak over de rand van het beeldscherm de kerk kon zien. Maar na een tijdje heb je dat ook wel gezien. Ik keek steeds minder vaak naar die kerk. Ik raakte gewend aan het uitzicht. Eigenlijk begon het vrij snel te vervelen. Ik kijk nog maar zelden op naar het gebouw en kan er in ieder geval al lang niet meer met diezelfde intensiteit naar kijken als die eerste paar maanden toen ik hier woonde.

Raar eigenlijk, want die kerk is niet anders. Die kerk is niet lelijker geworden. Het moet dus wel aan mij liggen. Ik heb ‘m te vaak gezien. Net als het schuurtje wat ze tegen de kerk aangebouwd hebben. Dat schuurtje heb ik overigens altijd al lelijk gevonden. En iedereen is het daarover eens die bij mij op bezoek komt. ‘Mooie kerk, jammer van dat schuurtje’. Typisch dat iedereen die kerk mooi vindt en tegelijkertijd dat schuurtje lelijk.

Mensen die op bezoek komen vinden trouwens nog steeds die kerk mooi. Ik zou bijna willen vragen: “Goh, kun je vertellen waarom je die kerk zo mooi vind, ik ben het niet vergeten, maar ik wil zo graag dat WOW-gevoel nog eens hebben.” Dat gevoel wat ik wel heb als het dus een beetje mistig is en als de lampen in de kerk aan zijn en als het koor zingt. Dan heb ik het nog wel. Dan wordt je overrompeld door schoonheid. Er komt dan een brede glimlach op mijn gezicht. En pas daarna begin ik te herkennen wat ik zie en wat ik mooi vind.

Net als nieuw gerecht wat je eet. Eerst ervaar je ‘Lekker’. En daarna komt pas de indeling van smaken die erbij horen. Je eerste indruk is letterlijk en figuurlijk onbeschrijflijk. Zodra je aan een ander tracht uit te leggen wat er nou zo lekker aan is, ben je het al kwijt. En al zou je het kunnen omschrijven, dan nog evenaart het nooit die directe ervaring die je bij die eerst hap had.

Wat voor dat mooie gebouw geld, geld ook voor lekker eten. Eerst komt dat gevoel, die ervaring. Genieten. Ga je het daarna uitleggen dan raak je compleet in de war. Je kunt alleen maar iets ‘bij benadering’ omschrijven. Schoonheid of Lekkerheid valt niet uit te leggen. En al helemaal niet te analyseren. Net als bij liefde op het eerste gezicht. Dat is zo ontzettend wonderlijk. Ga je analyseren waarom je jezelf juist bij die persoon zo voelt, omdat je wil weten welke eigenschap van de dame of heer het is dat jou zo laat voelen, dan blijft er weinig wonder over. Je analyse maakt het stuk.

Ik bedenk ineens dat ik toch nog echt boodschappen moet doen. Verdorie. Ik heb sowieso weinig zin om mezelf door een winkel heen te leuren en al helemaal niet met dit weer. Maar goed. Ik trek mijn jas aan en loop tussen de plassen door naar de winkel. Iedereen in de winkel kijkt net zo vrolijk als ik. Allemaal mensen die geen zin hebben om hier te zijn. Allemaal mensen die op één of andere manier een soort ongelukkigheid uitstralen. Wat is er met hen en met mij aan de hand. We zouden juist blij moeten zijn dat we slechts naar een winkel hoeven te gaan om vanavond te kunnen eten. Ik zou juist blij moeten zijn dat ik niet in dit weer in een plaggenhut een maaltje moet bereiden. Verdikkeme, dat had ik al helemaal niet moeten denken. Nu voel ik me naast chagrijnig ook nog schuldig daarover. Waar was ik..

Zodra je echte kwaliteit probeert te ontrafelen is het alweer vervlogen. De kerk voor me bijvoorbeeld. Ik zou als een ware wetenschapper het object kerk kunnen analyseren op zoek naar de ‘schoonheid’ of ‘mooiheid’ van die kerk. Ik vind de toren bovenop het dak een zeer geslaagd ornament. Die zou ik als eerste analyseren. In de huidige wetenschap denken we in subjecten en objecten. Ik ben het subject en de kerktoren het object. Als geslaagde wetenschapper zou ik weten dat schoonheid een eigenschap is van die toren. Maar waar in die toren dan precies? Ik vrees dat ik eerst de toren en daarna de hele kerk steen voor steen uit elkaar zou peuteren op zoek naar die ene steen die deze kerk zo mooi maakt.

In het onderwijs zou ik heel morbide een populair kind op eenzelfde wijze uit elkaar kunnen trekken op zoek naar wat dit kind zo populair maakt. Er is geen enkele cel noch hersencel of DNA of wat dan ook wat ervoor zorgt dat het kind zo populair is. Maar toch is dat kind populair. En precies zo is met het de kerk ook. Hij is prachtig, maar wat maakt het zo mooi?

De manier waarop we de wereld benaderen helpt geen steek met onze zoektocht naar kwaliteit. Als we alles in stukjes hakken - in de hoop te vinden welk stukje het geheel nou zo prachtig maakt - blijft er niets over. En dat in stukjes hakken gebeurt al zodra we onze mond open doen om te vertellen waarom we vinden wat we er van vinden. Echte schoonheid is een directe ervaring. Je bent één met dat andere. Sterker nog. Bij elke ervaring is er allereerst enkel Kwaliteit en pas daarna kom jij weer en hetgeen waarnaar je kijkt of luistert. Je ging er helemaal in op en pas daarna kwam de analyse pas. Kwaliteit eerst, subjecten en objecten daarna pas.

Heel dat subjecten en objecten gedoe is heel lang handig geweest, maar heeft zijn beste tijd inmiddels gehad. Het is tijd voor een nieuwe bril. Wat zou er gebeuren als we niet de objecten zoals een kerk in stukjes gingen hakken, maar de kwaliteit. Wat als schoonheid of lekkerheid of welke waarden dan ook als fundament van onze wereld zouden dienen? Wat zou er dan gebeuren?

“Het idee dat de wereld is samengesteld uit niets anders dan waarden klinkt aanvankelijk onmogelijk. Alleen objecten worden als iets werkelijks beschouwd. Kwaliteit wordt opgevat als een vaag marginaal begrip dat uitdrukt wat wij van de objecten vinden” – Pirsig

Ik loop door de winkel en kijk naar de overmatige aanwezigheid van reclameborden. Teksten die pakkend zouden moeten zijn. Lachende gezichten op posters. Wat een trieste aanblik. En dan dat muziekje op de achtergrond. Ooit was het een prachtig nummer waar ik echt dol op was. Maar nu. Te nep gewoon. Ik krijg het benauwd. Ik moet hier weg. De jongen achter de kassa is vriendelijk. Precies zoals het moet. Hij vraagt precies de goede vragen en zijn handelingen zijn precies snel genoeg. Hij wenst me een fijne dag. De boodschappen passen precies in de boodschappentas en ik zet mijn mandje bovenop de stapel met mandjes. Het past precies. Ik begin te walgen van deze correctheid. Alles klopt gewoon. De hele winkel, de jongen achter de kassa, de winkelmandjes.. Alles is perfect. Ik krijg het warm en wordt zelfs een beetje kwaad. Maar waarom? Ik reken af en ben geheel tegen mijn verwachtingen in weer blij dat ik buiten in de regen sta. Daar blijf ik staan. Lekker.

In plaats van de wereld onder te verdelen in dingen en gedachten is het wellicht interessant om te proberen de wereld opnieuw op te bouwen met kwaliteit als hoofdingrediënt. Kwaliteit heeft duidelijk twee gezichten. Net als de kerk. Die kerk voor mijn raam had aanvankelijk een geweldig effect op mij. Ik vond ‘m prachtig. Net als een prachtig lied wat je voor het eerst hoort. Verwondering. Als liefde op het eerste gezicht. Het gevoel van één zijn. Ik kan dat hebben als ik een blogpost schrijf. Of als ik zit te tekenen. Een soort workflow. Zen. Alsof je op een surfplank op een golf van inspiratie totaal vergeet waar je bent en hoe laat het is. Pirsig noemt dit ‘Dynamische Kwaliteit’ Je zit als het ware op een trein, maar voor je ligt nog geen spoor. Je bent op de snede van de ervaring. Helemaal in het nu.

Het tweede gezicht van de kwaliteit noemt Pirsig de statische kwaliteit. Dat wat voortkomt uit de dynamische kwaliteit moet soms goed vastgehouden worden anders is het weg. Een stuk muziek wat opkomt in het hoofd van Bono van U2 vervliegt weer als ie het niet snel opschrijft. Dankzij de statische kwaliteit blijft al het goede van de dynamische kwaliteit bestaan. De statische kwaliteit zijn de sporen achter de trein. Het vormt de bodem waarop we verder gaan. Zodra een bepaalde kwaliteit algemeen is, is hij statisch en heeft hij nog steeds kwaliteit, maar brengt ons niet meer die thrill die we van dynamische kwaliteit krijgen.

De kerk had voor mij aanvankelijk dynamische kwaliteit. Het was nieuw en het maakte oprecht indruk op mij. Maar na verloop van tijd.. Ik vind de kerk nog steeds mooi, maar dat WOW- gevoel is weg. Zo verging het met veel dingen. Mijn eerste mobiele telefoon was helemaal het einde. Ik was oprecht onder de indruk van het ding. Nieuwe liedjes uit de top 40 hebben mij soms tot tranen bewogen. Maar ook die worden statisch en dus gewoontjes. Och, en nog maar te zwijgen over mijn verliefdheden. Dynamische kwaliteit ten top! Maar de statische kwaliteit om die liefdes te bewaren ontbraken meer dan eens.

Dankzij de statische kwaliteitspatronen bestaat er zoiets als een waterleiding. Dat was ooit een briljant idee wat is blijven hangen. Zo ook riolering en de gloeilamp. Maar denk ook aan ideeën zoals ‘regeringen’ en ‘democratie’. In de natuur was fotosynthese of de ‘uitvinding’ van het oog van hoge kwaliteit. Statische kwaliteit is nodig. Zonder die vastgelegde patronen is er geen groei mogelijk en blijft de dynamische kwaliteit een vormeloos iets.

Zo heeft onze supermarkt bedacht om plastic mandjes te gaan gebruiken. En om dat ene liedje te draaien. En om het personeel te trainen in wat ze moeten zeggen tegen de klanten, want dat is netjes. Zoals het hoort. Overtuigende reclameborden met felle kleurtjes en lachende gezichten. Perfecte statische kwaliteiten. Ooit dynamisch ontstaan en goed bevonden. Maar nu inmiddels stoffig en duf. Nee, Walgelijk. Met die statische kwaliteit wil ik niets te maken hebben. Weg hier. Een totale absentie van dynamische kwaliteit. Als die jongen achter de kassa nu had gevraagd: “Kutweer he?” en dan was gaan blozen omdat ie woordjes zegt die hij niet mag zeggen tegen klanten, dan had ik oprecht genoten. Maar zou hij dat dan weer elke keer vragen, dan vind ik het verschrikkelijk.

Deze supermarkt is gedoemd zijn deuren te sluiten als ze alleen maar statische kwaliteit herbergt. Het zou imploderen onder zijn eigen strakke en strikte regels. Zonder dynamische kwaliteit blijft dit een dooie bedoeling waar – hoe netjes en verzorgt alles ook is – de winkelier zo snel mogelijk weer weg wil zijn.
Andersom is minstens zo verschrikkelijk. Ik vind het hoogst irritant als ik iets niet kan vinden in de supermarkt. Als er niets blijft zoals het is. Als er plots geen mandjes zijn of de muziek veel te hard staat voor een supermarkt. Met teveel dynamische kwaliteit valt niet te leven. Dan valt alles uiteen.

Dynamische kwaliteit beweegt zich altijd af van de statische kwaliteit. Altijd op weg naar beter. Dynamische kwaliteit wil niets met statische kwaliteit te maken hebben. Het wil zich nooit en te nimmer vastleggen aan regels. Dynamische kwaliteit is Tao. Het is het leven zelf. Het beweegt altijd in de richting waar ze het minst te vangen is. Creativiteit!

Ik kom weer thuis. Die wandeling door de regen was goed. Ik zet mijn computer weer aan en lees nog snel de nieuwste twitterberichten. Twitter. Ook zoiets. Als je een geschiedenis van de communicatie zou maken dan zul je zelf zien dat de wijze van communicatie die het minst vastligt aan regels en tijd de meeste voorkeur geniet. Twitter is op dit punt de beperkingen van email en sms voorbij. Dynamische kwaliteit. Maar is het een blijvertje? Heeft het genoeg in zich om wortels in de grond te krijgen? Het leven wordt niet eenvoudiger zo voor op de trein der ervaringen. Maar met je neus in deze “wind of change” heb je tenminste het gevoel dat je leeft.

Het is inmiddels donker buiten. Ik hoor geen regen meer. Ik open de gordijnen om te kijken of het gestopt is met regenen. Ik zie de maan? Hoe kan dat nou? De kerk reflecteert de maan precies mijn kamer binnen. Dat is me nooit eerder opgevallen. Die verdraaide oude kerk. Alsof ie mee heeft zitten lezen terwijl ik hier vandaag heb zitten typen. Wonderlijk.

maandag 23 februari 2009

De Kwaliteit van Onderwijs (Deel II)

Terwijl ik mezelf van mijn stoel ophijs na een lange carnavalsoptocht loop ik ietwat vermoeid naar mijn lokaal. Ik trek de serpentines van het raam en schuif wat met tafels en stoelen. Weg met alles wat mij ook maar enigszins aan carnaval doet denken en dat terwijl het nog moet beginnen. Ik ben geen carnavals-hater, die zijn er al genoeg. Nee.. ik denk vooruit. Want straks trek ik de deur van mijn lokaal dicht en ben ik van plan er een week niet meer te komen. Als we maandagochtend na de vakantie weer terugkomen zouden we al een halve week aan het vasten zijn. Laat ik mijn klas dus nog maar even opruimen, voordat ik naar huis ga.

Terwijl ik met stoelen schuif en wat boeken rechtzet, overdenk ik de komende week. Zondag is het wederom optocht. Ditmaal in mijn woonplaats. De afgelopen jaren besteedt ik die optocht samen met mijn schoonfamilie. Mensen komen van ver boven de rivier om dit te zien. Schoonfamilie. Nu kan ik goed overweg met die mensen en het wordt vast en zeker een gezellig Brabants dagje carnaval. Geanimeerde gesprekken over tal van onbenulligheden die ons sinds onze laatste ontmoeting bezighouden. Maar hoe gezellig het ook worden zal, één onderwerp wordt steevast aangesneden. Meestal komt na een stilte die iets te lang duurde de vraag: “En jij… jij hebt zeker weer vakantie?”

Een collega loopt door de gang en zwaait naar me. Ik hoor nog iets van ‘Prettige vakantie’. Ik groet haar en maak een stapeltje van allerlei papieren die op mijn bureau liggen. Een stapeltje toetsen die nog ingevoerd moeten worden. Maar na zo’n optocht heb ik daar geen zin meer in. Ik rommel nog even verder in de kast.

“En jij… jij hebt zeker weer vakantie?“ Ik weet nu al wat me zondag te wachten staat. Het is niet echt een vraag, want ze weten het antwoord dondersgoed. Nee, is iets heel anders. Het is eerder een erkenning dat ze nu écht niets meer weten om over te praten en beginnen ze maar over mijn vele vakanties. Alsof ze beginnen over het weer. Het zou ook een soort verwijt kunnen zijn. Dat ik wéér vakantie heb. Ik weet niet wat voor hen de reden van de vraag is, maar ik pik het over het algemeen fout op.

Het basisonderwijs en de mensen die daar bij horen doen het over het algemeen niet geweldig. Het rekenen moet veel beter en ook het taalonderwijs. Nog maar te zwijgen over het schrijven. Want ook dat was afgelopen jaar ‘nieuws’. Je begint je af te vragen wat nog wel goed gaat. En je mag blij zijn dat zulke berichten nog steeds als ‘nieuws’ bestempeld wordt. Het zou erger zijn als we horen dat aardrijkskunde beneden de maat is en dat we collectief zeggen: “Tsja, maar dat is toch geen nieuws”

Al die berichten vallen telkens weer onder één noemer te schuiven. De media vraagt zich af wat de ‘kwaliteit’ van het onderwijs is. En mijn schoonfamilie vraagt zich eenvoudig af of ik weer vakantie heb. Maar die twee dingen samen klinken in mijn oren als één simpele vraag waar alles om draait: “Doe jij het wel goed?” En dat is waar de hele discussie om kwaliteit toch eigenlijk altijd om draait. Is dit goed?

Dat de kwaliteit van het onderwijs onder vuur ligt is alom bekend. Als het goed is ligt de kwaliteit van uw werk en zelfs uw leven ook elke dag opnieuw onder een bekende druk geformuleerd met de eenvoudige vraag: “Doet u het goed?”
Alleen telt de vraag als het gaat om onderwijs zwaarder. Op feestjes word zelden gesproken over de kwaliteit van het tupperware tegenwoordig. Of de kwaliteit van de Nederlandse snelwegen. Komt dit omdat mensen in het onderwijs met de nieuwe generatie werken? Omdat kwaliteit van het werk zwaarder telt omdat we met kinderen te maken hebben?
Of is het gewoonweg makkelijker praten over onderwijs, omdat we allemaal er wel iets van weten. Je kunt gerust stellen dat de meerderheid van de Nederlanders op zijn minst zijn basisonderwijs gehad heeft. Eenieder kan er over meepraten en eenieder heeft er makkelijk en snel een mening over. Is dat de reden dat ‘Goed Onderwijs’ een hot-topic blijft?

Ik loop door mijn lokaal en controleer of alle ramen gesloten zijn. Staan de pc’s uit? Ik pak mijn tas in en sluit de deur van mijn lokaal. Ik maak nog even een rondje door de school en tref nog één collega. Samen sluiten we de boel en nemen we afscheid van elkaar. Tot over een week. Ik stap in mijn auto en rij het dorp uit.

De vraag ‘doen we het goed?’ valt in duizend en één stukjes te breken als het gaat over onderwijs. Het onderwijs zelf valt trouwens ook in minstens net zoveel stukjes te breken. Ikzelf beperkt mij het liefst tot mijn eigen toko en dat is het basisonderwijs. Dat is tevens de grote gemene deler.. Want nogmaals, de meesten onder ons hebben daar wel ervaringen mee. Iedereen weet wel iets. En iedereen heeft een duidelijke notie van wat goed is en wat niet. In wezen weet iedereen van zichzelf wel of je handelingen goed zijn of niet. Een leerkracht zou zelf moeten weten of zijn onderwijs goed is of niet.

Als een kind plots ontdekt dat hij die lastige som op kan lossen. Dat ze glundert en het nog eens wil doen. Dat is goed onderwijs. Dat is kwaliteit. Dat een kind zijn zenuwen overwint om voor het eerst op het podium te gaan staan om een dansje te doen voor de rest van de school is knap. Dat is goed gedaan. Dat is kwaliteit. Dat een kind na acht jaar onderwijs een lastige eindtoets kan maken en goed scoort. Dat is kwaliteit. Leerkrachten en ouders zijn trots als zoiets gebeurt. Mensen herkennen kwaliteit. Dat is een aangeboren eigenschap van ons allemaal. Iedereen heeft smaak. Iedereen weet wat goed is.

Ik sta stil voor een stoplicht. Ik neem vlug een stukje papier uit mijn tas en schrijf erop: “Iedereen weet wat goed is. Dit hoeft niemand ons te vertellen.” Ik kijk naar de zin en frons. Dat is raar. Ik voel heel duidelijk dat ik zeker weet dat het zo is, maar toch gaan er alarmbellen rinkelen omdat het niet lijkt te kloppen. Weet ik nu wel of niet wat goed is? En als ik het niet weet? Wie of wat weet het dan wel? De onderwijsinspectie? De ouders? Psychologen? Neurologen? Onderwijsdeskundigen? Heeft iedereen een beetje gelijk? Voel ik me trots op mijn goedscorende leerlingen omdat de onderwijsinspectie zegt dat ik me zo moet voelen?

Het stoplicht springt op groen en ik vervolg mijn rit naar huis. Ik zit ietwat verbaasd in de auto. Dit is een dilemma. En ik vrees dat ik tijdens dit ritje naar huis er niet uit ga komen. Het lijkt op een vraag die ik ooit aan mijn moeder stelde toen ik nog erg jong was. Er stond een vaas met bloemen op tafel. Mijn moeder zei me dat het mooie bloemen waren. Ik wist echter niet wat ze bedoelde met ‘mooie bloemen’. Waarom waren de bloemen mooi? Omdat ze geel waren? Mijn moeder wist het ook niet. Ze vond ze gewoon mooi.

Nu jaren later snap ik dat mijn moeder mij nooit een uitleg had kunnen geven. Ze had me slechts een dilemma kunnen geven. Zat de schoonheid van de bloemen in de bloemen of in mijn moeder die de bloemen mooi vond. Zit de kwaliteit in het object of het subject? Zit de kwaliteit van het onderwijs nu in citoscores en niet in het gevoel van trots. Of zit de kwaliteit van onderwijs slechts in het plezier van kinderen wat ze hebben na het verkrijgen van goede rapporten. Zijn die rapporten daardoor op hun beurt slechts meningen in getallen. En daardoor nauwelijks objectief te noemen?

Heel het onderwijs is doordrongen van dit dilemma. Dat wat we kunnen meten noemen we objectief en krijgt daardoor al snel de status écht te zijn. En hoe hoger de scores van het meetbare hoe beter de kwaliteit van het onderwijs. Hetgeen wat niet meetbaar is telt niet mee in de bepaling van kwaliteit. Gedrag is zo’n onmeetbaar patroon binnen het onderwijs. Telt het nu wel of niet mee dat een basisschool sociale kinderen aflevert? We vinden dat wel belangrijk. De meeste oudergesprekken gaan over het gedrag van kinderen. Hoe goed een school dit aanpakt is niet te vangen in kengetallen. Er worden althans geen grote pogingen ondernomen om dit jaarlijks in kaart te brengen. Het blijft slechts de mening van anderen.

De schrijver Pirsig biedt een oplossing voor het kwaliteitsdilemma. In zijn boek “Zen en de kunst van het motoronderhoud stelt hij dezelfde vraag: ”Zit de kwaliteit nu in het subject of in het object?” De vraag impliceert dat je moet kiezen tussen de twee. Of kwaliteit zit in het object. Als dat zou zijn zou iedereen de bloemen van mijn moeder mooi vinden. Het zijn immers mooie bloemen. Zit de kwaliteit niet in het object, dan zit het in het subject. Niet iedereen zou mijn moeders bloemen mooi vinden. Het mooi vinden van de bloemen zou volstrekt willekeurig zijn. Als dat zo zou zijn, dan zouden de lijstjes van de Top 40 nergens op slaan. Brad Pitt en Angelina Joline zouden door net zoveel mensen knap als wel lelijk gevonden worden. Toch hoor ik van elke juf op school dat Brad Pitt toch écht wel een ‘snoepje’ is. (en ik niet, maar dat is een ander verhaal)

We willen graag dat dingen objecten zijn. Dat we ze kunnen meten. Daarom geef ik de kinderen ook een toets na elk hoofdstuk. Die kijk ik na en het geeft me een cijfer of een letter die ik kan afzetten tegen andere cijfers en letters. Hoe maakte mijn groep van vorig jaar deze toets? Hoe maakte dit kind deze toets ten opzichte van de vorige? Ik vind het prettig om een citotoets als backup te hebben om gewoonweg zo min mogelijk subjectief te zijn. Dat de kwaliteit van mijn onderwijs niet slechts afhankelijk is van een mening, mijn subjectieve kijk op de dingen.

Pirsig pakt de drie termen bij de kladden en rammelt ze door elkaar. Kwaliteit komt niet voort uit de bloemen. Het is ook niet slechts de mening van mijn moeder. Pirsig draait het om. Hij stelt dat er kwaliteit is. En uit die kwaliteit komt het subject en het object voort. Zodra iets in onze perceptie bestaat heeft het kwaliteit. En die kwaliteit zorgt dat het subject bij het object komt. Ook lelijke bloemen hebben kwaliteit. De kwaliteit zorgt ervoor dat het subject het object kan waarnemen. De vraag of de vaas met bloemen kwaliteit heeft slaat daardoor nergens meer op. Natuurlijk heeft de vaas met bloemen kwaliteit. Je ziet ‘m toch!

Het grote gewin hieruit is echter nog steeds niet dat je met gemak kunt vaststellen wat nu wel kwaliteit heeft en wat niet. De briljante denkstap die Pirsig maakt is, dat hij eens en voor altijd afrekent met de termen subjectief en objectief. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Objectief werd vaak ten onrechte als ‘meer echt’ waargenomen als ‘subjectief’ omdat die laatste slechts een mening was. En slechts een mening zijn is alles behalve waarheidsgetrouw. Pirsig rekent af met het woordje ‘slechts’ en stelt dat het juist de mens is die in staat is kwaliteit te herkennen. Bloemen mooi vinden is wellicht onderhevig aan smaak, maar is wel degelijk een waarneming van kwaliteit. Het resultaat van een vaardigheid die met geen enkele machine of toets is om te zetten in een objectief meetbare eenheid.

Ik rij de snelweg op en ik ben blij dat het ondanks het begin van een vakantie niet ontzettend druk is op de weg. Vrij rustig juist. Ik rij inmiddels ietwat meer op mijn gemak naar huis. De wereld zit een stuk eenvoudiger in elkaar als je beseft dat je mening of gevoel van trots net zo écht is als alle objectieve gegevens bij elkaar. Mezelf goed voelen over mijn manier van onderwijs geven telt net zo zwaar als de citogegevens. Zodra ik, de kinderen en de ouders zich goed voelen over onze school, dan doen de citogegevens er op zich niet zo heel erg toe? Ik kijk nog een keer naar het papiertje dat naast me ligt: “Iedereen weet wat goed is. Dit hoeft niemand ons te vertellen.” Toch zijn we er nog niet. Iets klopt niet.

Ik kom thuis en doe thuiskomdingen. Maar vandaag gaan de dingen ietwat anders. Ditmaal schuif ik mezelf in een carnavalspak. Ik sms wat rond en als snel vertrek ik samen met anderen naar het ‘Juffen en Meestersbal’ waarmee de carnaval voor ons leerkrachten begint. Ik praat met een hoop bekenden. Enkele van hen ken ik van de Pabo en weer anderen hebben op het ‘Juffen en Meestersbal’ niets te zoeken, omdat ze juf noch meester zijn. Ze zijn er toch, omdat ze weten dat inmiddels tachtig procent van het basisonderwijs uit juffen bestaat. En dat klinkt toch als een soort ladies night.

Ik drink wat biertjes en nog een paar. En plots ontdek ik dat ik tegen een lelijke bijna slapende vrouw sta te vertellen wat de kwaliteit van onderwijs is. Het valt me zwaar omdat mijn tong niet helemaal meer zegt wat ik zeggen wil. Maar het maakt niet uit. Ik voel me prettig. Nee, prettig is een understatement. Ik voel me Super. En dat die lelijke bijna slapende vrouw mijn verhaal niet interessant vind maakt voor mij niets uit. Ik voel me immers goed.

Terwijl de vrouw inmiddels ongemerkt is weggegaan en ik mijn verhaal vervolg tegen een andere vrouw vertel ik haar dat je weet wanneer je goed onderwijs geeft, omdat je dat kunt voelen. Je voelt je prettig, je voelt je super. Ik ontdek dat het toch dezelfde vrouw is tegen wie ik praat, maar dat ze haar carnavalshoedje heeft afgezet. ‘Ik voel me super’, zeg ik haar. Plots buigt ze haar lelijke gezicht naar me toe en ze vraagt: “..Dus je voelt je goed.” Ik knik met zowat heel mijn lijf en zeg “Ja” waarop zij vraagt: “Dus je zou nu goed onderwijs kunnen geven?”

Ik zeg niets meer. Ik strompel naar huis en ben oprecht aangeslagen door haar opmerking. Zo goed als ik me net voelde, zo beroerd voel ik me nu. Wat weet zo’n mens er nou van? Denk ik nog. Ik was nu toch geen onderwijs aan het geven. Ik was aan het drinken. Maar ergens weet ik dat ze gelijk heeft. Ik kom thuis en gooi mezelf op bed. Toch heb ik gelijk. Maar zij ook. Dit verdient nog wel wat meer denkwerk. Want een theorie die het goed vind dat leerkrachten dronken voor de klas kunnen staan is gewoonweg immoreel. Terwijl ik zelf zeg dat wat wij goed vinden net zo echt is als objectieve gegevens. Heb ik mijn eigen graf gegraven. Ik lig op bed en staar naar het plafond. Ik ben sinds ik vanmiddag in de auto stapte geen steek verder gekomen. Of toch wel… Ineens besef ik dat.. Ja! Dat is het. Ik val in een diepe slaap en elk goed idee wat nog in mijn hoofd zat is weg….

zondag 15 februari 2009

Zoektocht naar Kwaliteit in het Onderwijs deel I

Dankzij internet is de tijd en de afstand die nodig is om mijn idee in uw hoofd te krijgen ontzettend verkort. Nog niet zo heel lang geleden was het slechts de gedrukte media die ervoor kon zorgen dat 'ideeën' verspreid werden. Hoewel het menselijke brein zijn best doet om uit de chaos enige orde te creëren, lijkt het alsof de natuur zijn orde opzettelijk lijkt te verstoren. Het vinden van gegevens is niet langer een probleem. Het vinden van de juiste gegevens op het juiste moment is de vraag. Welke gegevens hebben voor mij op dít moment de meeste kwaliteit?

Kwaliteit in het onderwijs is en blijft een zeer heet hangijzer. Maar omdat deze kwestie altijd zo alom aanwezig is, lijkt de gemiddelde onderwijzer zich niet meer bewust te zijn van deze vraag. Wat is kwaliteit in het onderwijs? Is dat een rapport? Zijn het citogegevens? Is het een 'gevoel'? Is kwaliteit op korte termijn hetzelfde als die op lange termijn? Kortom, hoe weet je als leerkracht dat je goed bezig bent? Moet je dat vragen aan een ander (je directie, een toets) of weet je dat zelf?

De vraag houd mij al zeer lange tijd bezig. En ik kom er om de zoveel maanden ongewild bij terug. Gelukkig lijk ik steeds meer puzzelstukjes te vinden. Kleine stukje antwoord op mijn vraag.

Een groot stuk van het antwoord is me al gegeven door de briljante schrijver Robert Pirsig. Wellicht kent u zijn werk: "Zen en de kunst van het Motoronderhoud" en het geweldige boek: "Lila". Deze twee bestsellers hebben mij gegrepen en blijven mij elk jaar opnieuw prikkelen. In de boeken staan meer vragen dan antwoorden. Die vragen zijn veelal direct toepasbaar op het onderwijs.

De komende tijd - jaren - wil ik mijn antennes weer iets meer in de richting van dit onderwerp buigen. Deze blog en het publiek wat de afgelopen maanden deze blog gevonden heeft acht ik als perfect klankbord voor wat mijn ideeën van kwaliteit in het onderwijs zijn.

Dit onderstaande filmpje trof ik vandaag op youtube. Het is een spreker op de TED conferentie en hij spreekt over de opvallende data die is verkregen na het analyseren van de geschiedenis der ontwikkelingen. De spreker vertelt het ietwat langdradig, maar ga er echt even voor zitten. Later kom ik er zeker op terug, als ik ook de boeken van Pirsig beschrijf.

vrijdag 13 februari 2009

Niet IQ, maar QQ: Meervoudige intelligentietest.. (en hoe ik genept werd)


In onderwijsland wordt je er al geruime tijd mee doodgegooid: Meervoudige Intelligentie. De alom bekende IQ test meet volgens vele slechts één aspect van je gehele intelligentie spectrum. Het maandblad Quest heeft voor haar vijfjarig bestaan een test in elkaar geknutseld die heeft bereikt waar ie voor ontworpen is. En dat is niet de maker een reëel beeld geven van zijn intelligentie..

Dat was overigens wel de reden voor mij om er een kijkje te gaan nemen. Op twitter gaf iemand mij een linkje naar de website en al snel kwamen de eerste vragen al voorbij. Het moeilijkse van de hele test was het maken van een account. Een gewone inlognaam en wachtwoord accepteerde hij niet. Het kan aan Chrome liggen, maar toen ik cijfers in mijn naam én wachtwoord ging gebruiken werd de combinatie pas geaccepteerd.

Van Schermafbeeldingen


De test zelf zit leuk in elkaar. Je moet voor elke afname inschatten wat je intelligentie zal zijn. Ben je goed of matig in het herkennen van gezichten en kun je het ene ritme van het andere onderscheiden. Vervolgens krijg je een filmpje met lachende mensen te zien en mag je raden of de lach écht of nep is. Je hoort twee drumsolo's waarbij je moet aangeven of de twee fragmenten gelijk waren of niet.

Een leuke test. En ik was lekker op dreef. Jeetje wat ben ik intelligent. Ik schrok er zelf van. Dit kan niet zo zijn. Het eerste wat ik deed was natuurlijk opscheppen bij een vriend van me. Ik stuurde direct mijn uitslag en vroeg hem of hij ook de test zou maken. Vergelijken en ééns en voor altijd vaststellen dat er eindelijk een test is die mijn intelligentie wél erkend. Ik stuurde direct de link naar de Quest test door...

En toen zag ik het..
Ik was abrupt tot de conclusie gekomen dat er een addertje onder het gras moet zijn. En ik deed precies waar de mensen van Quest op hadden gehoopt. Ik ben er ingeluisd. En ik zag het pas toen het te laat was. Dus zo intelligent ben ik niet.

Van Schermafbeeldingen


Het recept voor gratis reclame: Schotel de mensen een test voor. Laat ze goed scoren en vertel erbij dat het toch echt hoger is dan wat een gemiddelde Nederlander scoort. Je kunt de test alleen maken als je een account hebt gemaakt. 'Wil je onze nieuwsbrief ontvangen?' staat aangevinkt. De uitslag pagina bied je tevens de mogelijkheid om 'iemand uit te dagen'.

Waarom schrijf ik daar dan toch een Blogpost over. Ga ik nou toch nog reclame maken voor het maandblad Quest. Dat ook, maar ben je écht intelligent, dan maak je die test niet.

Maak de test niet!!

(en dan blijft het gemiddelde gunstig en dat is weer leuk voor mij)

woensdag 4 februari 2009

Kat Kwijt 2.0



Tijdens een avondje twitteren trof ik een linkje naar de website:

WijWillenDirk.nl

Op de site zie je hoe Jaap Stronks alles met betrekking tot web 2.0 gebruikt om zijn kat 'Dirk' te vinden. Wat is er aan de hand? Waarom al die ophef over een kat?

Optie 1: Jaap kwam er op een dag achter dat zijn #dirk verdwenen was. Na het tevergeefs zoeken heeft hij alles op alles gezet om de kat te vinden. Hij regelde een adres op het net en besteedde extra tijd achter zijn pc om de geliefde knuffelpoes terug te vinden.

Optie 2: Jaap wou wel wat gratis PR regelen voor zijn mediabedrijf. Hij wist zich geen raad hoe dat te doen. Na een avondje Animal Planet bedacht hij dat lieve diertjes het altijd goed doen bij vredelievende medemensen. Als er dan ook nog iets vervelends gebeurt met zulke aaibeestjes is het helemaal medeleven geblazen. Om zijn masterplan uit te voeren ontvoerde Jaap zijn eigen katje Dirk en verstopte deze zo lang in het fietsenschuurtje achter het huis. En nu maar hopen dat het de beoogde media-aandacht opeist.

Intussen is het beestje teruggevonden en kunnen we weer rustig ademen. Eerlijk gezegd denk ik overigens dat Jaap Stronks gewoonweg briljant is en zijn kwaliteiten op het gebied van internet goed benut heeft. De tweede optie die ik hierboven opper is ronduit absurd. Toch vind ik dit soort hersengymnastiekjes altijd reuze interessant.

In de bovenbouw van onze school hebben we wekelijks een discussiekring, waarbij zulke verhalen het altijd goed doen. Kinderen kunnen heel goed krantenberichten 'in twijfel trekken' en zoeken naar de beweegredenen van de schrijver. Teveel media-aandacht voor een bepaald onderwerp geeft meer dan eens een averechts effect. Ik ben benieuwd of en vooral hoe dit verhaal over Dirk de media bereikt. En wat voor een effect heeft zo'n verhaal dan op de kinderen? Mocht dit verhaal over Dirk een staartje krijgen en in de klas besproken worden, dan houd ik jullie op de hoogte...